Kritisch artikel uit: een encyclopedie der pseudowetenschappen

Dit artikel is vooral bedoeld om het verschil uit te leggen tussen de vooronderstellingen die mensen hebben over (magische) hypnose, en de professionele hypnotherapie die vaak onterecht met  dit artikel wordt vergeleken. Hypnotherapie is een therapeutische vaardigheid die veel mensen helpt. Hypnotiseurs en erkende professionele  hypnotherapeuten zijn een hemelsbreed verschil. Erkende hypnotherapeuten zijn professioneel HBO geschoold en worden erkend door zorgverzekeraars. Hypnotiseurs ….. ?

Hypnose

Techniek, toegepast door een ‘hypnotiseur’, waarmee iemand in een toestand van rust en passiviteit wordt gebracht.

In die toestand (‘onder hypnose’, ‘in hypnotische trance’ of ‘in trance’) zou de desbetreffende persoon volledig overgeleverd zijn aan de bevelen van de hypnotiseur. Tevens zou hij of zij in deze toestand over uitzonderlijke, zelfs paranormale geestelijke vermogens beschikken.

Aldus de verhalen die de ronde doen. De werkelijkheid is wel even anders. Ten eerste verliest niemand, als hij eenmaal gehypnotiseerd is, de macht over zichzelf. De gehypnotiseerde is (veelal) passief en zal zo veel mogelijk meegaan met de suggesties van de hypnotiseur, maar deze (zo blijkt uit experimenten) is niet in staat hem of haar te dwingen iets te doen waar hij in wakkere staat nooit achter zou kunnen staan.

Dan die superieure geestelijke gaven. Het bekendste voorbeeld is het ‘teruggaan’ naar de vroegste levensjaren, of zelfs naar vorige levens (reïncarnatie). Hoe levensecht ook uitgebeeld, uit onderzoek blijkt dat deze ‘herinneringen’ niet verder reiken dan de gewone herinneringen die iemand bij vol bewustzijn heeft – inclusief herinneringen aan boeken, films en dergelijke. Verder berusten zulke herinneringen louter op fantasie. In het bijzonder kan men zich niets herinneren uit de eerste twee, drie levensjaren. Ook van helderziende of voorspellende gaven onder hypnose is nooit iets gebleken.

Wat is hypnose dan wel? Uit onderzoek gedurende de afgelopen tientallen jaren is gebleken dat er ‘onder hypnose’ helemaal geen sprake is van een fundamenteel andere geestestoestand, gepaard gaande met een geheel apart herinneringsvermogen en een ‘andere persoonlijkheid’. Het enige kenmerk waardoor hypnose zich onderscheidt van de normale ‘wakkere’ toestand is dat de gehypnotiseerde volkomen ontspannen is en zich helemaal openstelt voor, en zich concentreert op, zijn invallen en eventuele suggesties en opdrachten van de hypnotiseur. Hij of zij zal die opdrachten, indien mogelijk, ook uitvoeren. Hypnose is dus van begin tot eind gebaseerd op een persoonlijke beslissing om mee te werken, om zoals de hypnotiseur suggereert ‘in trance’ te gaan. ‘Alle hypnose is zelfhypnose’ is dan ook een veelgehoorde kreet.

Niet iedereen is daartoe in dezelfde mate bereid. Sommige mensen zouden niet te hypnotiseren zijn, maar dat is slechts beperkt waar. Er wordt gesteld dat deze mensen zich simpelweg verzetten tegen de opdracht om passief te worden en zich aan de stem van de hypnotiseur over te geven, een bewering die natuurlijk moeilijk te weerleggen valt. De hypnotiseur is minder noodzakelijk dan men vaak denkt. De toneelhypnotiseur selecteert mensen uit de zaal die goed hypnotiseerbaar zijn, stelt de geselecteerden gerust, brengt ze in de juiste stemming en geeft ze dan met enkele korte bevelen het nodige duwtje in de rug. Hij schept de voorwaarden. Ook in de spreekkamer is de hypnotiseur er om de cliënt zich te laten ontspannen en bij de les te houden zodat die zich concentreert.

De mythe van de ‘andere geestestoestand’ die dwingend opgeroepen zou kunnen worden door de hypnotiseur, is echter buitengewoon sterk. Dat komt vooral doordat hypnose gepaard kan gaan met *dissociatie. De onder hypnose uitgevoerde opdrachten worden achteraf ervaren als werden ze door ‘een ander’ uitgevoerd, of ze zijn (in opdracht van de hypnotiseur) op schijnbaar miraculeuze wijze vergeten. Bij omstanders kan dan snel de indruk ontstaan dat zich tijdens de hypnose een geheel andere persoonlijkheid manifesteerde. Deze ‘ander’ is slechts een illusie, maar dit raadselachtige aspect heeft ertoe geleid dat hypnose, naast een populair variéténummer, ook uitgegroeid is tot de grootste pseudowetenschappelijke mythe van de afgelopen twee eeuwen.

Van Mesmer tot Freud

De geschiedenis van het hypnotiseren gaat terug tot in de grijze oudheid. Oudegyptische papyri vermelden magische procedures die verdacht veel op hypnotiseren lijken. Het was echter Franz Anton *Mesmer die als eerste bewust hypnotische technieken gebruikte voor het behandelen van patiënten. Latere onderzoekers zoals de markies de *Puységur en James *Braid (die de term hypnose bedacht) wekten vervolgens de indruk dat hypnose toegang gaf tot een *zesde zintuig en leidde tot paranormale ervaringen.

Dergelijke claims leidden tot zeer hooggespannen verwachtingen omtrent de mogelijkheden van hypnose, en dat werd er niet beter op met de komst van het *spiritisme. Spiritistische *mediums verzonken vaak in een bij zichzelf opgeroepen trance (die overigens vaak niet meer voorstelde dan dat men ging zitten en de ogen sloot, net zoals bij het moderne *channeling) en begonnen dan te spreken, zogenaamd met de stem van een overledene. Het duurde vele decennia voordat onderzoekers in de gaten kregen dat deze ‘geesten’ geen individuele persoonlijkheden waren van gene zijde maar curieuze ‘afsplitsingen’ van de persoonlijkheid van het medium (*dissociatie).

Omstreeks 1900 nam de academische belangstelling voor hypnose, trance en verwante verschijnselen sterk toe. Van groot belang was het werk van de Franse neuroanatoom Jean-Martin *Charcot, die hypnotiseerbaarheid beschouwde als een teken van *hysterie, en het werk van zijn grote tegenstander, Hippolyte Bernheim, van de School van *Nancy. Bernheim wees op de invloed die de verwachtingen en suggesties van de hypnotiseur hebben op het uiteindelijke gedrag van de gehypnotiseerde. Zo ontdekte hij dat het zogenaamde vergeten (van wat er tijdens de hypnose gebeurd was) gemakkelijk opgeheven kon worden door de patiënt geestelijk (en fysiek!) onder druk te zetten.

Sigmund *Freud heeft van beide onderzoekers wat opgestoken – helaas niet het nuttigste. Van Charcot leerde hij dat het menselijk brein informatie kon bevatten waar de betreffende persoon zelf geen weet van had. Van zijn vriend Josef *Breuer zou hij (ten onrechte) leren dat deze informatie door middel van hypnose naar boven kon worden gehaald. Uit Bernheims praktijk meende hij af te kunnen leiden dat die hypnose niet nodig was, maar dat geestelijke druk ook uitstekend voldeed. Uit deze drie (foutieve) veronderstellingen brouwde hij uiteindelijk zijn *psychoanalyse.

Modern hypnoseonderzoek

Het systematisch onderzoek naar het verschijnsel hypnose kwam pas van de grond in de jaren ’20, onder leiding van de Amerikaanse psycholoog Clark Leonard Hull (1884-1952). In zijn Hypnosis and suggestibility (1933) stelde hij dat hypnose neerkwam op een toestand van sterk verhoogde suggestibiliteit. De gehypnotiseerde, zo constateerde Hull, is veel meer dan onder normale, ‘bewuste’ omstandigheden bereid suggesties van anderen op te volgen. Hull stelde vast dat niet iedereen een-twee-drie zover te krijgen was (vandaar dat variétéhypnotiseurs hun slachtoffers selecteren) maar dat het in wezen toch om een algemeen menselijke eigenschap ging. Hij verwierp de hypothese dat er sprake zou zijn van een fundamenteel andere geestestoestand.

Onderzoek in de daaropvolgende decennia, met name dat van Nicholas P. Spanos en Theodore X. Barber, hebben dat beeld alleen maar bevestigd. Alle in de loop der eeuwen naar voren geschoven zogenaamd fundamentele verschillen tussen de hypnotische en de ‘waak’-toestand bleken een voor een niet aantoonbaar. De gehypnotiseerde bleek bijvoorbeeld niet ‘willoos’, niet paranormaal begaafd en beschikte ook niet over een fenomenaal geheugen. Men plaatste ook vraagtekens bij Hulls verhoogde suggestibiliteit. Ongehypnotiseerde proefpersonen die simpelweg waanzinnige opdrachten kregen, voerden deze net zo gewetensvol uit als proefpersonen die gehypnotiseerd waren.

Ook geen enkele van de geopperde fysiologische verschillen tussen beide groepen bleek wetenschappelijk aantoonbaar. Gehypnotiseerden kunnen niet meer pijn verdragen dan (van tevoren daartoe gemotiveerde) ongehypnotiseerde proefpersonen, en hun hersenen geven ook geen ‘andere’ signalen dan onder normale omstandigheden. Het karakteristieke ‘passieve’ gedrag van gehypnotiseerden is een kwestie van suggestie: de proefpersoon gedraagt zich zo omdat hij of zij denkt dat dat zo hoort, of omdat hem dat door de hypnotiseur verteld (dus opgedragen) wordt. Zo houden de mythes over hypnose zichzelf in stand.

Wat betreft het vermeende vermogen van gehypnotiseerden om zich allerlei details uit hun vroegste levensjaren of nog eerder te herinneren is vooral het werk van Martin T. Orne van belang. Hij bewees dat mensen die (volgens de hypnotiseur) in een diepe trance verkeerden, nog steeds in staat waren om te liegen, en dat álle gehypnotiseerden grote moeite hadden om fantasie en werkelijkheid uit elkaar te houden. Tevens werd duidelijk dat er tijdens hypnose geen sprake is van het naar boven komen van (betrouwbare) herinneringen waarvan de proefpersoon onder normale omstandigheden niets weet. Gehypnotiseerden die hun eerste verjaardag ‘opnieuw beleven’ zijn niet meer dan zeer overtuigend overkomende acteurs. De door hen gegeven ‘opmerkelijke’ details blijken heel vaak niet te kloppen. Orne waarschuwde ook voor het vermogen van proefpersonen om suggesties van de hypnotiseur op te pikken en naadloos in hun herinneringen op te nemen.

Orne is ook bekend door zijn observatie dat gehypnotiseerden over een zogeheten ‘trance-logica’ beschikken, waarmee hij bedoelt dat ze niet moeilijk doen over kennelijke tegenstrijdigheden. Een gehypnotiseerde kan bijvoorbeeld iemand in een lege stoel ‘zien’ zitten, en tegelijk de achter die persoon ‘verborgen’ rugleuning zien, of duplicaten van mensen naast de ‘originelen’ zien, en dat met hetzelfde gemak accepteren waarmee een dromer ongerijmdheden aanvaardt. Orne meende hierin een aanwijzing te zien voor hypnose als speciale toestand, maar uit onderzoek is ook dit onhoudbaar gebleken: met de juiste aansporing kunnen vrijwel alle mensen de meest onzinnige dingen kalm geloven. Niet iedereen kan de Witte Koningin evenaren (‘I’ve believed as many as six impossible things before breakfast‘), maar de meeste mensen komen een heel eind.

De mare dat onder hypnose het geheugen niet beter werkt werd niet geloofd, en veel onderzoekers hebben vergeefs geprobeerd een effect van hypnose op het geheugen aan te tonen. In 1983 vatte Marilyn C. Smith in Psychological bulletin het onderzoek samen: ‘Gecontroleerd onderzoek in het laboratorium is er telkens opnieuw niet in geslaagd aan te tonen dat de herinnering verbetert door hypnose.’ Het enige wat hypnose schijnt te bewerkstelligen is dat mensen zekerder van al hun beweringen (de goede en de foute) worden.

Een opmerkelijke conclusie uit het werk van Barber was dat een paar procent van de bevolking in het dagelijks leven al moeite heeft om fantasie en werkelijkheid uit elkaar te houden, en ook veel paranormaal geduide ervaringen heeft (*fantasy prone personality).

De school van Hull, Barber en Spanos heeft uiteraard tegenstanders. Hun belangrijkste critici waren de vooraanstaande psychologen Ernest en Josephine Hilgard. Zij meenden dat de hypnotische toestand mogelijk wél een fundamenteel andere geestestoestand verraadt, en ontwikkelden een theorie volgens welke de geest van de proefpersoon tijdens hypnose opsplitst in een gewillig deel dat de opdrachten trouw uitvoert, en een hidden observer die daar desgevraagd commentaar op kan leveren. Het is echter maar de vraag of dit gedrag van de proefpersoon werkelijk fundamenteel verschilt van *dissociatie.

Een andere vraag is of ‘herinneringen’ die onder hypnose naar voren komen therapeutische waarde kunnen hebben. Dat is ook de bestaansreden van *hypnotherapie. Het onderzoek van de laatste decennia heeft duidelijk gemaakt dat het onverstandig is om aan dergelijke ‘herinneringen’ veel méér dan die therapeutische waarde toe te kennen. Onafhankelijke bevestiging blijft geboden. Sommige hypnotherapeuten gaan ervan uit dat er sprake is van ‘verdrongen’ herinneringen en zijn op grond daarvan overtuigd van de realiteit van fenomenen als *reïncarnatie, *satanisch ritueel misbruik of *abductions door buitenaardse wezens.

Hypnose en de CIA

De mythe dat een gehypnotiseerde volstrekt onderworpen is aan de wil van de hypnotiseur heeft ook de Amerikaanse inlichtingendienst CIA parten gespeeld. Begin jaren ’50 kreeg CIA-medewerker Morse Allen van zijn meerderen toestemming om zijn hobby, hypnose, uit te proberen op zijn ondergeschikten. Allen zette zijn slachtoffers aan om dossiers te ontvreemden en buiten het gebouw aan vreemden af te geven. Hij meende hiermee aan te tonen dat de tegenstander hypnose kon gebruiken om geheime dossiers te bemachtigen (maar realiseerde zich niet dat de proefpersonen de normen slechts overtraden omdat hun baas-hypnotiseur hun dat opdroeg). Ook deed hij in 1954 een poging een medewerker zo ver te krijgen dat hij iemand zogenaamd zou vermoorden. Daarna wilde hij vervolgtests doen met mensen die van niets wisten, maar daar kwam niets van terecht.

Het hypnose-onderzoek kwam daarna in handen van agent Sidney Gottlieb, die serieuze pogingen deed mensen met behulp van drugs en hypnose te ‘programmeren’. Zij moesten door middel van een geheim commando ‘aangezet’ kunnen worden en dan iemand vermoorden. Als potentieel slachtoffer dachten Gottlieb c.s. aan de Cubaanse dictator Fidel Castro. Er werd een hypnotiseur aangezocht (ene ‘dr. Fingers’, zo genoemd omdat hij zijn slachtoffers hypnotiseerde door met zijn vingers voor hun ogen te wapperen) en tevens werd besloten dat de ‘uitvoerders’ gezocht zouden worden onder de Cubaanse vluchtelingen in Florida.

Het experiment mislukte jammerlijk. De eerste kandidaat reageerde tijdens een test niet op het aangegeven codewoord om tot actie over te gaan. (Men had gekozen voor het toepasselijke ‘sigaar’; eenmaal weer door dr. Fingers uit de hypnose gehaald reageerde hij daarop met ‘Nee dank u, ik rook niet’.) Een tweede kandidaat viel tijdens de hypnose in slaap, kon niet meer gewekt worden en werd daarom maar weer op straat gedumpt. Een derde werd gewelddadig. Het CIA-hypnoseprogramma kabbelde daarna nog wat voort, en werd rond 1966 afgebroken. Misschien hebben verhalen over deze proeven Richard Condon (geb. 1915) op het idee gebracht van de (meteen verfilmde) roman The Manchurian candidate (1959). Daarin wordt een Amerikaanse krijgsgevangene door de Chinezen op een dergelijke manier geprogrammeerd.

Voor andere pseudowetenschappelijke praktijken van de CIA, zie: *remote viewing en het *Nautilus-experiment.

Literatuur
Baker, R.A., They call it hypnosis. Buffalo, 1990.

Uit: Tussen Waarheid en Waanzin: een encyclopedie der pseudo-wetenschappen, door Marcel Hulspas en Jan Willem Nienhuys (vierde herziene druk, De Geus, 2002).